|
Jos De Meyer : Nieuwsbericht
16-10-2009
Bedrijfsstages voor leerkrachten
In de commissie onderwijs ging gisteren een uitgebreide gedachtewisseling door over de bedrijfsstages voor leerkrachten. Dit naar aanleiding van persberichten dat dit initiatief slechts een gering succes zou kennen. In mijn tussenkomst benadrukte ik het grote belang voor leerkrachten om in contact te blijven met het beroepsveld: zeker in het nijverheids- en beroepsonderwijs. Ondanks alle stimulansen, blijft het grote probleem voor de scholen dat zij de stagelopende leerkrachten moeten kunnen vervangen. En zelfs voor de gewone noodzakelijke vervangingen, bijvoorbeeld in geval van ziekte, blijkt het keer op keer niet eenvoudig gepaste een interimaris te vinden.
* * * *
Handelingen
Commissievergadering
Commissie voor Onderwijs en Gelijke Kansen
van 15 oktober 2009
Vraag om uitleg van de heer Johan Deckmyn tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister
van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over bedrijfsstages voor leerkrachten
Vraag om uitleg van de heer Koen Van den Heuvel tot de heer Pascal Smet, Vlaams
minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over bedrijfsstages voor
leerkrachten
Vraag om uitleg van de heer Jos De Meyer tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister
van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over de bedrijfsstages voor leerkrachten
De voorzitter: De heer Deckmyn heeft het woord.
De heer Johan Deckmyn: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, volgens
Agoria, de federatie van de technologische industrie, volgden de afgelopen vijf jaar in Vlaanderen
in die sector slechts 55 leerkrachten een bedrijfsstage. Ondanks het feit dat er in deze
periode 305 stageplaatsen ter beschikking waren, is dit initiatief dus geen groot succes. Nochtans
wordt er al jarenlang gepleit voor een verregaande synergie tussen onderwijs en bedrijfswereld,
niet alleen voor leerkrachten maar ook voor leerlingen. Ondertussen doen er in
het kader van besparingsmaatregelen voorstellen de ronde om deze bedrijfsstages af te schaffen.
De onderwijssector beveelt deze stages trouwens zeker niet aan, wegens een nijpend tekort
aan technische leraars. Vooral de tijdelijke vervanging van deze leerkrachten blijkt een probleem
te zijn. Toch heeft Agoria wel degelijk een punt als ze wijst op het feit dat contacten
tussen leraren en bedrijfswereld erg belangrijk blijven. Het is van cruciaal belang dat leraren
de evoluties in de bedrijfswereld blijven volgen. Die interactie is erg belangrijk.
Er zijn natuurlijk al heel wat initiatieven geweest vanuit de bedrijfswereld. De onderwijswereld
blijft jammer genoeg ter zake wat achter, of misschien iets genuanceerder, pikt niet voldoende
in op de aangeboden kansen. Op zich is dit een aandachtspunt waar men zich in
onderwijsmiddens wel bewust van is.
Ik heb vorige legislatuur trouwens vaak gewezen op het belang van de synergie tussen bedrijfswereld
en onderwijs. Ik deed dat vooral in de commissie Economie. Vandaar dat ik het
ook zou betreuren als men louter uit besparingsoverwegingen dergelijke initiatieven zou afbouwen.
Aangezien de onderwijswereld duidelijk geen vragende partij is, moet de overheid
in overleg met de bedrijfswereld nagaan hoe bestaande initiatieven worden geëvalueerd en
nagaan of er misschien andere klemtonen kunnen worden gelegd of nieuwe initiatieven kunnen
worden genomen.
Vandaar volgende vragen. Welke initiatieven werden er in het verleden reeds genomen om
bedrijfsstages voor leerkrachten te bevorderen? Kan de overheid in overleg met de bedrijfswereld
geen evaluatie van de bestaande initiatieven doorvoeren en daar eventueel op voortbouwen
met nieuwe initiatieven? Zijn er in het kader van de besparingen al stappen
ondernomen om op deze bedrijfsstages te besparen?
De voorzitter: De heer Van den Heuvel heeft het woord.
De heer Koen Van den Heuvel: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, ik
zal het kort houden. Zoals de heer Deckmyn ben ik actief in de commissie die de economie
op de voet volgt, en dat verklaart ook onze bekommernis. We zijn het er allemaal over eens
dat de band tussen de bedrijfswereld en het onderwijs hecht moet zijn. Er is daarin de afgelopen
jaren geïnvesteerd, en in het regeerakkoord staat dat nog eens heel duidelijk, vooral met
de leerlingen voor ogen. We moeten de ambitie hebben om elke leerling van het secundair
onderwijs eens de kans te bieden een bedrijf van binnenuit te leren kennen.
Het is ook belangrijk dat er een uitwisseling tussen leraren en bedrijven gebeurt. Dat is misschien
moeilijk te organiseren, zeker omdat er een tekort aan leerkrachten is. Toch moeten we
daarin blijven investeren. Er is daar in het verleden dus in geïnvesteerd. In 2008 is dat nog
versterkt, want dan is niet alleen het technisch onderwijs maar zijn alle onderwijsopleidingen
in het vizier gekomen. Er kwam een premiestelsel en het systeem van de vervangingseenheden
is uitgebouwd. Spijtig genoeg moeten we besluiten dat dit niet een groot succes heeft
opgeleverd. Er kwam geen grote toevloed van uitwisselingstrajecten.
De aanleiding van mijn vraag is de reactie van Agoria en ook die van andere sectoren: het is
belangrijk dat leerkrachten de snel evoluerende wereld van bedrijven goed opvolgen. In een
van de lijstjes van besparingen dook ook de afschaffing van de bedrijfsstages op. Was dat een
mediakwakkel? We hebben dat alleszins niet uit uw mond gehoord.
Mijn vragen aan de minister zijn dan ook de volgende. Hoe staat u tegenover het systeem van
de bedrijfsstages? Bent u overtuigd van het belang van de versterking van de band tussen
bedrijfswereld en onderwijs? Is er een evaluatie gemaakt van de bedrijfsstages in het schooljaar
2008-2009, toen het nieuwe systeem van vervangingseenheden en premies niet tot successen
heeft geleid? Wat zijn de belangrijkste conclusies en aanbevelingen?
De voorzitter: De heer De Meyer heeft het woord.
De heer Jos De Meyer: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, voor ik parlementslid
was, was ik directeur van een instelling in het technisch onderwijs. De relatie tussen
het onderwijs en de beroepswereld heeft me steeds geboeid. Het is positief dat leraren
contacten onderhouden met de werkvloer. Het biedt hun nieuwe en vernieuwende inzichten in
de huidige bedrijfscultuur en in moderne technologieën en technieken. Scholen sturen evenwel
het signaal uit dat de kortstondige vervanging van leerkrachten niet eenvoudig is, zeker
niet als het gaat over mensen die een technisch profiel onderwijzen.
Er is in de mogelijkheid voorzien dat personeelsleden in de vakantieperiode bedrijfsstage
kunnen lopen. Voor hen is in een kleine aanmoedigingspremie van 50 euro per dag voorzien.
De twee voorgaande sprekers hebben het onderwerp al perfect ingeleid. Ik beperk me tot mijn
vragen.
Hoeveel leerkrachten volgden in het schooljaar 2008-2009 een bedrijfsstage? Zijn er grote
verschillen tussen de verschillende onderwijsvormen? Werd er door de samenwerkingsplatformen
gebruikgemaakt van de mogelijkheid om een voltijds personeelslid voor het hele
schooljaar aan te stellen om leerkrachten die op bedrijfsstage gaan, te vervangen? Hoeveel
leerkrachten volgden tijdens een vakantieperiode een bedrijfsstage? Beantwoordt dit aantal
aan de verwachtingen? Welke tussentijdse evaluatie maakt de minister?
Ik heb ook nog een suggestie. Zou het niet zinvol zijn om de duurtijd van stages een beetje te
verlengen? Zo zou men een nog beter inzicht in het bedrijfsleven verwerven en zou men misschien
ook gemakkelijker vervangers vinden.
De voorzitter: Mevrouw Vanderpoorten heeft het woord.
Mevrouw Marleen Vanderpoorten: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s,
ik sluit me aan bij de al gestelde vragen. Het is erg belangrijk dat leerkrachten, zeker in het
tso en het bso, goed op de hoogte blijven van de evoluties in het bedrijfsleven. Voor de leerlingen
is het erg belangrijk dat ze voelen dat ze les krijgen van iemand die voeling houdt met
de arbeidsmarkt. Dat zal de jongeren stimuleren naar school te gaan.
Ik ben wel bezorgd. In het TALIS-rapport staat dit: “Er is in Vlaanderen weinig behoefte aan
meer professionele ontwikkeling.” En ook: “Vlaamse leerkrachten hebben op weinig vlakken
behoefte aan professionele ontwikkeling.” In vergelijking met andere landen schijnen onze
leerkrachten zich minder bij te scholen. Dat is toch een teken aan de wand. Ik denk dat we dat
eens moeten onderzoeken en er eventueel later op terugkomen.
De voorzitter: Mevrouw Fournier heeft het woord.
Mevrouw Martine Fournier: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, ik sluit
me aan bij de vorige sprekers. Er is al veel gezegd, maar ik heb toch een paar bijkomende
opmerkingen en vragen. De heer De Meyer had het al over de verdeling over de verschillende
groepen. De leerkrachten van het aso staan iets verder van het bedrijfsleven dan de anderen.
Nochtans is het belangrijk dat ook zij voeling met het bedrijfsleven houden. Als de stages
zich in het tso en bso voordoen, dan zijn er enerzijds harde sectoren als hout en metaal en
anderzijds zachte sectoren zoals handel en zorg.
Ik heb eens gegoogeld. Op het Stageforum met de bedrijfsstages voor leerkrachten staan 146
leerkrachten geregistreerd. Dat is bitter weinig. Misschien is de toegangsdrempel van de bedrijven
te hoog voor leerkrachten? Misschien is de technische afstand tussen de machines die
in het onderwijs worden gebruikt en die die in het bedrijf worden gebruikt, te groot? In dat
geval betreft het, zoals hier trouwens al eerder is aangehaald, veeleer een praktisch probleem,
in het bijzonder met betrekking tot de vervangingen en de vergoedingen. Ik vraag me trouwens
af of de interesse van de leerkrachten groot genoeg is.
We zitten mogelijk met twee problemen. Het eerste probleem is de interesse van de leerkrachten.
Het tweede probleem is veeleer van praktische aard en betreft de vervangingen en
de vergoedingen.
Er is misschien ook een probleem op het vlak van de communicatie. Op welke manier wordt
dit aan de leerkrachten bekendgemaakt? Is al eens naar de interesse van de leerkrachten gepeild?
Ik hoor hier vooral over Agoria spreken. Het gaat hier dus om grote bedrijven. Misschien
kunnen we ook stageplaatsen in kleinere bedrijven, in KMO’s en bij zelfstandigen organiseren.
Dat zouden we misschien ook eens moeten onderzoeken.
De voorzitter: De heer Van Dijck heeft het woord.
De heer Kris Van Dijck: Mijnheer de voorzitter, volgens mij hebben alle sprekers duidelijk
benadrukt dat de leerkrachtenstage nuttig en noodzakelijk is. Dit geldt zeker voor de beroepsgeoriënteerde
opleidingen. Indien we de leerlingen op een latere beroepscarrière willen voorCommissievergadering
bereiden, moeten we ook beschikken over leerkrachten die de werkvloer kennen en die relevante
inzichten meegeven.
Ik stel vast dat we het eigenlijk allemaal eens zijn. Blijkbaar ontbreekt het ons aan de nodige
hefbomen om dit alles daadwerkelijk mogelijk te maken. De vervangingen en de bezoldiging
zijn hier al aangehaald. Misschien moeten we de klemtoon iets meer elders leggen. Ik denk
dat de lokale besturen op dit vlak wat meer een regierol op zich zouden kunnen nemen.
Ik ken in elk geval zelf een aantal concrete voorbeelden. Vaktechnische scholen en de lokale
afdelingen van Voka of van Unizo kunnen sterke netwerken uitbouwen. Op die manier kunnen
ze twee aspecten van dezelfde problematiek aanpakken. Het gaat immers niet enkel om
leerkrachtenstages, maar ook om leerlingenstages. We zouden die dichter bij elkaar kunnen
brengen. We moeten hefbomen ontwikkelen om dit mogelijk te maken. De lokale besturen
kunnen op dit vlak een regierol vervullen en clusters uitbouwen. We moeten dit aanboren.
Het gaat hier niet enkel om de opdracht van de scholen om naar buiten te treden. We moeten
misschien ook een beroep doen op de werkgeversorganisaties. Het gaat hier niet enkel om de
grote bedrijven. In Vlaanderen zijn nog steeds veel mensen in kleine en middelgrote ondernemingen
tewerkgesteld. We moeten die bedrijven ertoe aanzetten ook contacten te leggen.
Op veel plaatsen gebeurt dit al. We moeten dit intensifiëren. Op die manier kunnen we met
betrekking tot deze noodzaak een hefboom creëren.
De voorzitter: Minister Smet heeft het woord.
Minister Pascal Smet: Mijnheer de voorzitter, tijdens de schooljaren 2005-2006, 2006-2007
en 2007-2008 hebben we een tijdelijk project georganiseerd. Dit project hield in dat de projectscholen
van het gewoon secundair onderwijs en van het buitengewoon secundair onderwijs
leraren, technisch adviseurs en technisch adviseurs-coördinatoren konden vervangen
indien die een bedrijfsstage volgden. Het aantal projectscholen dat aan dit tijdelijk project in
verband met bedrijfsstages kon deelnemen, was beperkt tot een derde van het secundaironderwijslandschap.
Dit project stelde de scholen in staat zelf samenwerkingsplatforms op te
zetten en geresponsabiliseerd en flexibel beleid te voeren. Dit beleid kon op de eigen lokale
noden en prioriteiten worden afgestemd. Tijdens de laatste van de drie net vermelde schooljaren
is dit project geëvalueerd. Ik overloop even de belangrijkste conclusies.
Ondanks de vervangingsmogelijkheid lopen te weinig personeelsleden een bedrijfsstage.
Daarover is iedereen het hier eens. De cijfers over het gebruik van de vervangingseenheden
tonen aan dat gemiddeld 30 percent van het budget is aangewend. Zoals al is aangehaald, is
het uitblijven van geschikte vervangers de belangrijkste reden die het volgen van bedrijfsstages
bemoeilijkt.
Op basis van de conclusies in het evaluatierapport zijn een aantal beslissingen genomen.
Vanaf 1 september 2008 is het systeem van de bedrijfsstages uitgebreid tot alle scholen en tot
alle personeelsleden van het secundair onderwijs, met uitzondering van de directeurs, de adjunct-
directeurs en het meester-, vak- en dienstpersoneel van het gemeenschapsonderwijs.
Personeelsleden die tijdens de vakantieperiode van hun leerlingen een bedrijfsstage lopen,
hebben recht op een premie van 50 euro. Voor elke dag dat ze een bedrijfsstage volgen, wordt
100 percent van dit bedrag toegekend.
Om de lerarenstages wat beter in de verf te zetten, zijn in de editie van Klasse van februari
2008 een aantal succesverhalen opgenomen. Tijdens de namiddag van woensdag 20 februari
2008 is de bedrijvendag voor leraren georganiseerd. Op die dag hebben 125 bedrijven in heel
Vlaanderen hun deuren opengezet. Dit initiatief heef de leraren de kans geboden kennis te
maken met de diverse aspecten van een onderneming. Op 16 mei 2008 heeft in Leuven het
VIA-atelier plaatsgevonden. Tijdens een dergelijk atelier presenteren scholen, bedrijven en
leerkrachten ‘good practices’ in verband met bedrijfsstages.
In het begin van februari 2009 heeft de dienst Beroepsopleiding van het Departement Onderwijs
en Vorming het nieuwe project Proleron opgestart. Proleron is een Vlaams project voor
de professionalisering van leraren en docenten in Vlaanderen. Het geniet de financiële steun
van de Europese Commissie. Tussen februari 2009 en januari 2011 zal Proleron zo veel mogelijk
korte stages met betrekking tot ondernemerschap in bedrijven voor leraren en docenten
organiseren. Proleron werkt onder meer samen met de sectorconsulten, met de regionale
technologische centra en met de beroepsfederaties om geschikte stageplaatsen te vinden.
Naast het stageaanbod voorziet Proleron ook geregeld in nascholingen in en workshops over
ondernemerschap voor leraren, docenten en studenten die een lerarenopleiding volgen. De
eerstvolgende nascholing, getiteld ‘Ondernemen voor leraren’ vindt plaats op 20 oktober
2009 in het cultuurcentrum Berchem.
De administratie heeft het tijdelijk project met betrekking tot bedrijfsstages tijdens het
schooljaar 2007-2008 geëvalueerd. Hierbij zijn drie doelgroepen bevraagd, met name de bedrijven,
de leraren die een bedrijfsstage hebben gelopen en de samenwerkingsverbanden en -
platforms. Volgens mij hadden we best ook de leraren bevraagd die geen bedrijfsstage hebben
gelopen. Dit had ook interessant kunnen zijn. Mijn voorganger heeft de resultaten van dit
rapport destijds al aan de leden van deze commissie bezorgd.
De administratie werkt momenteel aan het evaluatierapport van de bedrijfsstages voor het
schooljaar 2008-2009. Zodra het definitief is afgerond, zal dit rapport aan de leden van deze
commissie worden bezorgd. Wat het premiestelsel betreft, zal dit rapport gegevens bevatten
als het aantal uitgereikte premies per schoolvakantie, de bedragen van de premies die de personeelsleden
hebben ontvangen en de totale kostprijs van de premies. Wat de vervangingseenheden
betreft, kan ik nu reeds melden dat vorig schooljaar 33 percent van de
vervangingseenheden is aangewend. Niettegenstaande de bijkomende publiciteit die we hebben
gemaakt, is dit 5 percent minder dan in het voorgaande schooljaar.
In het onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek getiteld
‘professionaliseringsbeleid basis- en secundaire scholen’ komen de bedrijfsstages ook aan
bod. Dit onderzoek is op 1 september 2008 van start gegaan. Ik zal de resultaten, die ik tegen
31 augustus 2010 verwacht, hier uiteraard meedelen.
De administratie beschikt enkel over gegevens over de vervangers van de leerkrachten die
een bedrijfsstage volgen. Aangezien we de planlast van de scholen trachten te beperken, vragen
we bij de scholen geen gegevens op over leerkrachten die een bedrijfsstage volgen en niet
worden vervangen.
Wat de laatste vraag betreft, verwijs ik naar de afspraken die met de voorzitter van het
Vlaams Parlement zijn gemaakt. Ik tracht op dit vlak coherent te blijven. Deze vraag moet
tijdens de bespreking van de beleidsnota worden behandeld.
De voorzitter: De heer Deckmyn heeft het woord.
De heer Johan Deckmyn: We moeten oog blijven hebben voor de nood aan bedrijfsstages en
voor de specifieke omstandigheden waarin het bedrijfsleven zich bevindt. Daar is iedereen
het over eens. Het onderwijs is geen vragende partij. Voor het bedrijfsleven gaat het om een
investering op lange termijn zonder rechtstreekse return.
Ik ben het eens met de suggestie van de heer De Meyer eens over een langere duurtijd van
dergelijke stages na te denken. Dit is zeker een relevante opmerking. Ik volg gedeeltelijk de
vraag van de heer Van Dijck en van mevrouw Fournier om meer aandacht voor de kleine
bedrijven. Ik kan uit eigen ervaring echter melden dat het kleinere bedrijven relatief zwaarder
is hier zonder rechtstreekse return in te investeren. Indien we hier meer oog voor willen hebben,
zal dat zwaardere investeringen vergen.
De minister heeft een opsomming gegeven van de initiatieven die, met wisselend succes, de
leraren met het bedrijfsleven in contact moesten brengen. Hij heeft tevens de evaluaties overlopen.
Vooral de opmerking die de minister terzijde heeft gemaakt, vind ik interessant. Het
zou inderdaad interessant zijn de leraren te bevragen die niet aan een bedrijfsstage hebben
deelgenomen.
Dit lijkt me een zeer goede vraag. Ik zou de minister dan ook willen vragen dit over te maken
aan de mensen die voor deze evaluaties instaan. Het lijkt me belangrijk hier werk van te maken.
Deze informatie zou de sleutel kunnen zijn tot initiatieven die leerkrachten ertoe zouden
kunnen bewegen bepaalde drempels te overwinnen en aan dergelijke bedrijfsstages deel te
nemen.
De voorzitter: De heer De Meyer heeft het woord.
De heer Jos De Meyer: We moeten dit gesprek zeker voortzetten tijdens de bespreking van
de beleidsnota en op het ogenblik dat we het evaluatierapport betreffende het voorbije schooljaar
ontvangen.
De voorzitter: Het incident is gesloten.
Jos De Meyer
Terug naar het overzicht
|
|