Home
Thuis in Vlaanderen.
Linken
CDenV fractie Vlaams Parlement
Contact
Actueel
Fractieleden
Fractiewerking
Interpellaties
Persberichten
Dossiers
Tussenkomsten
Lokaal
Lokaal
Geavanceerd zoeken

printvriendelijke versie Jos De Meyer : Nieuwsbericht

05-11-2009
Personeelsstatuut onderwijs: problemen met integratieregeling en het waarom van minimumleeftijden van de barema’s

Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer ondervroeg de nieuwe minister van onderwijs over twee technische materies in het personeelsstatuut. De onderwijsbarema's kennen sinds mensenheugenis allemaal een minimumleeftijd maar waarom? Deze regeling verloor inderdaad zijn relevantie, moest de minister in zijn antwoord toegeven. Maar een aanpassing is een dure maatregel die zelfs zou doorwerken tot in de pensioenen. In tijden van budgettaire krapte geen eenvoudige zaak. Daarnaast is er de recente decreetaanpassing die de mogelijkheid geeft om personeelsleden die niet meer in staat zijn om hun oorspronkelijke functie uit te oefenen een andere functie te geven. Deze blijkt echter in conflict met federale regels. De minister engageerde zich op korte termijn hierover met de vakorganisaties in overleg te gaan.

* * * *

1. Onderwijsbarema’s - Minimumleeftijden

Onderwijsbarema's kennen sinds mensenheugenis allemaal een minimumleeftijd vanaf dewelke diensten in aanmerking komen voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit. Deze minimumleeftijd verschilt naargelang het barema waarop het betrokken personeelslid recht heeft.

Blijkbaar werd de minimumleeftijd gekoppeld aan het basisdiploma van het betrokken personeelslid, want hoe hoger het diploma, hoe hoger de basiswedde en hoe hoger de minimumleeftijd. Deze minimumleeftijden werden tientallen jaren geleden wellicht vastgesteld op basis van algemene criteria.

- Welke criteria werden gehanteerd om de minimumleeftijden vast te stellen?
- Welk doel streefde men na bij het vastleggen van de minimumleeftijden en is dit doel volgens de minister nog gerechtvaardigd?
- Waarom werd ervan uitgegaan dat diensten gepresteerd vóór een bepaalde leeftijd niet in aanmerking mochten worden genomen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit?

ANTWOORD

De bepalingen op het gebied van de leeftijdsvereisten die mee de geldelijke anciënniteit bepalen, zijn o.a. terug te vinden in de diverse koninklijke besluiten die voor de verschillende personeelscategorieën de bezoldigingsregeling vastleggen nl. de besluiten van 15 april 1958 (onderwijs met volledig leer-plan); 10 maart 1965 (volwassenenonderwijs en deeltijds kunstonderwijs) en 1 december 1970 (admi-nistratief, meesters-, vak- en dienstpersoneel).

De bepalingen van deze koninklijke besluiten, net zoals andere statuten in de toenmalige openbare sector, steunen grotendeels op de principes van het ambtenarenstatuut dat van toepassing was vóór 1958 (het zgn. statuut Camu genoemd) dat deze leeftijdsvereisten voorschreef.

Vermits deze koninklijke besluiten thans nog van toepassing zijn, steunt de berekening van de gelde-lijke anciënniteit inderdaad nog op het toentertijd vastgelegde principe van de minimumleeftijd van een salarisschaal waarbij elke schaal ingedeeld is in een bepaalde klasse, gaande van 20 tot 24 jaar. In de voormelde bezoldigingsregelingen van 15 april 1958 en 10 maart 1965 wordt tevens bepaald dat de schaal voor iedere graad wordt vastgesteld met inachtneming van de belangrijkheid van het ambt dat normaal overeenstemt met de waarde van elk der diploma’s of bekwaamheidsbewijzen die toegang verlenen tot die graad en dat de schaal wordt aangeduid door een indicie die het minimumsalaris, het maximumsalaris, de klasse, het aantal en het bedrag van de periodieke verhogingen ervan aangeeft. Uit het voorgaande blijkt dat de klasse van de salarisschaal in het merendeel van de gevallen dus gerela-teerd was/is aan de duur van de studies noodzakelijk voor het behalen van een bekwaamheidsbewijs dat vereist is voor de toekenning van een bepaalde salarisschaal.

Een eerste reden om destijds in de openbare sector deze werkwijze te volgen, was dat personeelsleden alvorens zij in het onderwijs terecht konden, een bepaald diploma dienden te verwerven. Dit diploma kon niet voor een zekere leeftijd behaald worden, vandaar de eerste grond tot het invoeren van een leeftijdstrap per salarisschaal. Om discriminaties te vermijden, gold deze werkwijze voor de meeste ambten.

Een tweede reden om de leeftijdsvereiste in te voeren was de legerdienst. Op het einde van de jaren vijftig bedroeg die 18 tot 21 maanden. Objectief gezien waren mannelijke personeelsleden immers benadeeld, aangezien zij zich in de meeste gevallen pas na hun legerdienst op de arbeidsmarkt konden aanbieden. Om een gelijke behandeling van mannen en vrouwen mogelijk te maken, werd toen het principe gehanteerd per personeelscategorie of salarisschaal een leeftijdstrap in te bouwen. Er werd naar gestreefd de diensten zowel voor mannen als voor vrouwen pas in aanmerking te laten komen vanaf de leeftijd die vastgesteld werd voor het onderwijsniveau waartoe zij behoren.

Wat de toekomst betreft en indien een nieuw stelsel van verloning zou worden uitgewerkt, kan deze bezoldigingsregel zeker worden besproken. De vraag is echter op welke basisprincipes eventuele nieuwe bezoldigingsregels moeten steunen en welke verloningscomponenten men precies wil verbete-ren/verhogen. Het wegwerken van de minimumleeftijd betekent immers dat de extra toegekende anciënniteit voor elk betrokken personeelslid gedurende de hele loopbaan wordt doorverrekend, met gevolgen voor eventuele wachtgelden, rust- en overlevingspensioenen. Het opheffen van de minimum-leeftijd van de salarisschalen is ongetwijfeld een gerechtvaardigde vraag, maar een dure en lineaire salarisverhoging. Het betreft in deze dus een ernstige budgettaire loonmaatregel waardoor de financiële ruimte voor andere (ook) gerechtvaardigde vragen onmogelijk of minstens beperkt zou worden. Ik denk hier bvb. aan het in aanmerking nemen van de diensten van zij-instromers en daaraan gekoppeld een wijziging van het stelsel van de zgn. “nuttige ervaring”; een gedifferentieerde of zelfs algemene loonsverhoging of vragen in het kader van cao-besprekingen e.d.

Er zullen dus keuzes moeten worden gemaakt, zeker in een periode dat de budgettaire ruimte beperkt is.


* * * *

2. Onderwijspersoneel - Omzendbrief Medex

Via een omzendbrief werd aan de scholen meegedeeld dat vastbenoemde personeelsleden die volgens hun behandelende geneesheer niet meer in staat zijn om hun oorspronkelijke functie uit te oefenen, niet meer hun bezoldigd ziekteverlof moeten uitputten vooraleer zij met een andere functie belast kunnen worden.

Deze omzendbrief is enerzijds gebaseerd op een bepaling van onderwijsdecreet XIX, maar anderzijds ook op de toepassing van het (federale) koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers. Deze omzendbrief geeft aan personeelsleden die om welke reden dan ook hun functie niet meer kunnen uitoefenen, meer mogelijkheden op een aangepaste tewerkstelling dan voorheen.

Dit is vanzelfsprekend positief. Maar spijtig genoeg staat dit federale KB op een aantal punten haaks op de bestaande onderwijswetgeving, en de Vlaamse omzendbrief gaat op een aantal van deze cruciale punten niet in. Dit creëert rechtsonzekerheid.

In de praktijk is het dus mogelijk dat de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer beslissingen neemt die niet conform de onderwijswetgeving zijn.

ANTWOORD

Tijdens de vorige legislatuur is een decretaal initiatief genomen om re-integratie van vastbenoemde personeelsleden in het onderwijs mogelijk te maken zonder dat zij eerst hun bezoldigd ziekteverlof moeten uitputten, zoals dat wel het geval is in de procedure bij Medex (pensioencommissie).

De procedure tot re-integratie is beschreven in de omzendbrief PERS/2009/09 en verwijst inderdaad naar federale wetgeving: het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers. Dat initiatief volstond ten tijde van onderwijsdecreet XIX volgens de overheid en de sociale partners om een oplossing te bieden voor een toen beperkt aantal gekende probleem-gevallen. Ik ben mij echter wel bewust van de beperkingen en moet vaststellen dat het initiatief een aantal nieuwe vragen heeft uitgelokt.

Met de sociale partners is daarom de afspraak gemaakt om zowel over de procedure bij Medex als over de procedure tot re-integratie, wat het onderwijspersoneel betreft, een grondig debat te houden in een specifiek daartoe op te richten werkgroep ‘Medische thematiek’. In deze werkgroep, die binnen-kort van start gaat en waarin de sociale partners, de onderwijsadministratie en mijn kabinet vertegen-woordigd zullen zijn, zullen de vragen die de Vlaamse volksvertegenwoordiger terecht stelt over het samengaan van de federale wetgeving met de Vlaamse onderwijswetgeving ongetwijfeld aan bod komen. Ik wens nu dan ook niet vooruit te lopen op eventuele oplossingen of antwoorden op deze vragen.

Jos De Meyer

Terug naar het overzicht
 
Home | Actueel | Fractieleden | Fractiewerking | Persberichten | Dossiers | Tussenkomsten | Contact