Home
Thuis in Vlaanderen.
Linken
CDenV fractie Vlaams Parlement
Contact
Actueel
Fractieleden
Fractiewerking
Interpellaties
Persberichten
Dossiers
Tussenkomsten
Lokaal
Lokaal
Geavanceerd zoeken

printvriendelijke versie Jos De Meyer : Nieuwsbericht

04-12-2009
Onderwijstoets voor nieuwe wetgeving

Onze samenleving heeft een veelheid aan regels en verplichtingen om de maatschappelijke veiligheid te verhogen. In de Vlaamse scholen is het niet anders. De directies zijn echter wel verantwoordelijk en aansprakelijk voor de veiligheid op en rond hun school. Alle relevante informatie vinden, kennen en toepassen is echter niet evident. Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer ondervroeg minister van onderwijs Smet op welke wijze zij hierin gesteund kunnen worden.

De minister engageerde zich de denkoefening te maken rond een globale onderwijstoets: bij nieuwe wetgeving zou er steeds nagegaan moeten worden welke effecten er zijn voor de scholen en hun directies.

Ook binnen de onderwijsadministratie zal er, in samenwerking met de onderwijskoepels, op korte termijn bekeken worden op welke manier relevante informatie beter gecoördineerd, gecentraliseerd en gerichter gecommuniceerd kan worden.

“Iedere schooldag vertrouwen we onze kinderen aan leerkrachten en schooldirecties toe, we doen dit in volle vertrouwen”, aldus Jos De Meyer, “het is belangrijk dat de overheid hen bij hun zeer veelzijdige opdracht ten volle ondersteunt.”



Vraag om uitleg van de heer Jos De Meyer tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over veiligheid op en in de buurt van scholen
De voorzitter: De heer De Meyer heeft het woord.
De heer Jos De Meyer: Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, recent werden de domeinbeheerder van een internaat en een glazenmaker schuldig bevonden aan de dood van een dertienjarige jongen na een ongeval met een glazen deur. Ook de algemeen directeur van de betrokken scholengroep werd vervolgd, maar vrijgesproken. In de deur had men eigenlijk veiligheidsglas moeten gebruiken.
Onze samenleving is complex, met een veelheid aan regels en verplichtingen, vele daarvan met de bedoeling problemen te voorkomen en de maatschappelijke veiligheid te verhogen. In
de Vlaamse scholen is het niet anders. Waar het veiligheid om en rond de scholen betreft kennen we allen de met de regelmaat van een klok opduikende alarmerende krantenberichten over agressie in de klas, spijbelen, verkeersveiligheid aan de schoolpoort, pesten of voedselveiligheid.
Maar het pakket regelgeving is vanzelfsprekend nog veel groter. Ik noem slechts enkele grote thema’s: de gezondheidsbeoordeling bij stages, de wetgeving welzijn op het werk, binnenmilieunormen voor de klassen, ongewenst gedrag, jeugdcriminaliteit en drugs, de
veiligheid van speeltuigen, veiligheid bij praktijklessen en labo-oefeningen. De lijst is lang en moet binnen de meeste scholen worden gevolgd, vooral door één persoon: de directeur of
directrice.
Collega’s, ter illustratie kan ik u zeggen dat ter voorbereiding van deze vraag een onderzoeker van het parlementair informatiecentrum ruim een week zoet was om een eerste
globaal overzicht samen te stellen van de relevante regelgeving rond veiligheid op en rond de school in de ruimste zin. Voor sommige deelmateries zijn er weliswaar nuttige informatiebronnen, zoals Edulex, en gespecialiseerde steunpunten met een nichewerking,
maar het overzicht is zoek. Degenen die geïnteresseerd zijn in het informatiedossier kunnen het terugvinden via de website van het Vlaams Parlement.
Iedere Belg wordt geacht de wet te kennen en toe te passen, maar de directies trekken aan de alarmbel. Voor een beperkte selectie van de veiligheidstaken kan een directie wel een beroep
doen op een deeltijdse preventieadviseur. Maar ook deze gespecialiseerde adviseurs geven aan dat zowel op het vlak van de informatieverwerking als van tijdsbesteding de limieten
bereikt zijn. De directies zijn verantwoordelijk en aansprakelijk voor de veiligheid op en rond hun school, en de brede maatschappij verwacht van hen dat zij er alles aan doen om de
veiligheid te waarborgen. Dat is een terecht verwachtingspatroon. Maar het kan toch niet de bedoeling zijn dat een directie enkel het minimale – lees: wat in het kader van de schooldoorlichting wordt gecontroleerd – toepast en de rest op zijn beloop laat. Een
aanspreekpunt voor vragen van directies en preventieadviseurs, maar ook van ouders,leerkrachten en leerlingen, een gecoördineerd sluitend vademecum of een coördinatie inzakeopleidingen of sensibiliseringsinitiatieven lijken alvast te ontbreken.
Mijnheer de minister, hoe kan een schooldirectie tegenwoordig de veelheid aan regelgeving van de verschillende bestuursniveaus die op haar afkomt op professionele wijze opvolgen?
Wordt voorzien in gepaste opleidingen of sensibilisering? Wie is juridisch verantwoordelijk bij een ongeval op school indien blijkt dat een bepaalde wetgeving of het algemene voorzorgsprincipe niet of onvoldoende werd nageleefd? Worden de ongevallen in en op weg
naar de scholen geïnventariseerd? Indien ja, door wie gebeurt dat, en welke opvolging wordt daaraan gegeven? Beschikt u over deze cijfers en kunnen we die dan eventueel krijgen? Kan de coördinatie van de veelheid aan toepasselijke regels, ongeacht of het nu om Europese, federale of Vlaamse bevoegdheden gaat, niet beter? Is hier geen rol weggelegd voor een overkoepelend steunpunt binnen de onderwijsadministratie?
De voorzitter: Minister Smet heeft het woord.
Minister Pascal Smet: Collega’s, een onderwijsinstelling heeft, net als een welzijnsinstelling of een KMO, te maken met een groot aantal wettelijke verplichtingen die zich buiten de
kernopdracht bevinden. Dat is een evolutie die het gevolg is van de beleidskeuzes in domeinen van arbeidsrecht, milieu, verkeer, gezondheid, auteursrecht. Er zijn een aantal mogelijkheden om ervoor te zorgen dat een individuele schooldirecteur dit niet allemaal moet opvolgen. Er zijn de technisch adviseurs en technisch adviseurs-coördinatoren, die in het technisch en beroepsonderwijs kunnen instaan voor de opvolging van het daar uiteraard zeer relevante deel dat te maken heeft met arbeidsveiligheid en veiligheid in het algemeen. De
leraren, in het bijzonder de praktijkleraren, passen een aantal veiligheidsregels toe in de lessen. Deze aspecten maken logischerwijze ook deel uit van het leerplan. Het is duidelijk dat
veilig leren werken geen bijverschijnsel van een technische of beroepsgerichte opleiding is, maar daar een onderdeel is dat in het pedagogisch handelen vervat zit.
Ook de scholengemeenschappen bieden de mogelijkheid om tussen directeurs afspraken te maken over de opvolging van bepaalde domeinen. Eén directeur van een scholengemeenschap zou zich kunnen toeleggen op veiligheidsaspecten, en dit omzetten in
hanteerbare richtlijnen voor zijn collega’s. Uiteraard nemen de koepels van inrichtende machten en de centrale administratie van het Gemeenschapsonderwijs (GO!) met betrekking tot dit soort onderwerpen een ondersteunende rol op en treden zij dienstverlenend op voor hun scholen.
Ook andere overheden nemen initiatieven om over hun wetgeving te communiceren.
Het schoolbestuur is aansprakelijk voor elke burgerrechtelijke fout die hem kan worden aangerekend. Het overtreden van een wettelijk gebod of verbod geldt in het aansprakelijkheidsrecht
als bewijs van de burgerrechtelijke fout. Uiteraard zit het aansprakelijkheidsrecht genuanceerd in elkaar, en is niet elke casus met die redenering af, en speelt mogelijk de
aansprakelijkheid van het individueel personeelslid bij bijvoorbeeld een zware fout. Ook het slachtoffer zelf kan een fout maken met een gedeelde verantwoordelijkheid tot gevolg.
De ongevallen op school worden niet geïnventariseerd. De Vlaamse overheid behandelt wel een bepaald deel van de schoolongevallen, namelijk de arbeidsongevallen van het
onderwijspersoneel, met inbegrip van de ongevallen op weg van en naar de school. De schoolongevallen waarvan leerlingen het slachtoffer zijn, inventariseren we dus niet. De
meeste scholen gaan daarvoor een verzekering aan bij een verzekeringsmaatschappij. Ook indien het schoolbestuur niet aansprakelijk is, zal dergelijke verzekering tegemoet komen.
Er zijn natuurlijk wel gegevens bij de verzekeringsmaatschappijen. We hebben die nog niet opgevraagd. Men zou al de gegevens dan moeten samentellen om zich een beeld te kunnen
vormen. De vraag is wel of de maatschappijen die gegevens willen geven. Ook die juridische vraag zou dan uitgeklaard moeten worden.
Er zijn natuurlijk overheden die af en toe wel communicatie-initiatieven nemen over de kwaliteit van wetgeving en evaluatie van wetgeving. Ook het departement Onderwijs probeert dat te doen. Ik ben wel van mening dat we, samen met de koepels en de centrale
administratie van GO! – want de zaak ligt gevoelig –, binnen het ministerie moeten kijken of er niet op de een of andere manier een betere maatregel kan worden genomen om die wetgeving te coördineren.
Ik ben ook van plan om al mijn collega’s die op de een of andere manier wetgeving opstellen die van toepassing is op de scholen of, in bepaalde gevallen, op jeugdlokalen, te vragen om een soort onderwijstoets toe te passen. Uiteraard is bijvoorbeeld de voedselveiligheid heel belangrijk voor de scholen. Verschillende scholen zeggen me echter dat bepaalde wetgeving niet altijd relevant is. Als de school eten serveert, moet ze natuurlijk zorgen dat ze de normen naleeft. Maar dat zijn niet dezelfde normen als die voor een groot restaurant. We moeten dus
nagaan of we met de andere overheden geen afspraken over een onderwijstoets kunnen maken. Ik kan dat niet opleggen, maar hoop toch dat ze op mijn voorstel ingaan.
De voorzitter: De heer De Meyer heeft het woord.
De heer Jos De Meyer: Mijnheer de minister, ik maak een onderscheid tussen het eerste deel van het antwoord, dat uw administratie heeft voorbereid, en het tweede deel, waarin u een
persoonlijk engagement verwoordt. Uw administratie zal wel geen ongelijk hebben als het gaat over het administratieve luik dat u hier hebt uiteengezet. Maar eigenlijk ben ik over dat
gedeelte ontgoocheld. Men zegt dat men vandaag zelfs niet weet welke ongevallen op school gebeuren. Gelukkig gebeuren er heel weinig ernstige ongevallen. Maar het moet ons toch
bezighouden en we moeten het opvolgen. Een eigentijdse administratie mag voor dat probleem alert zijn. Als men zegt dat scholengemeenschappen en koepels dat moeten opvangen, dan is dat op juridisch vlak vermoedelijk niet fout. Maar het lijkt me de taak van een moderne onderwijsadministratie om alert te zijn voor het probleem.
In het tweede deel van uw uiteenzetting zegt u dat u een initiatief wilt nemen. Ik vind dat belangrijk. Ik heb met mijn vraag immers niet alleen de bedoeling een inzicht in het
probleem te verwerven, maar ook dat er daadwerkelijk iets wordt ondernomen. Veiligheid van kinderen – van kleuters of van jongeren – moet ons bezighouden, en uiteraard ook de
minister van Onderwijs. Elk ongeval dat op school gebeurt, is er een te veel. Misschien is het moeilijk om deze vraag nu al te beantwoorden, maar kent u het tijdspad van de afhandeling
van dit dossier? Wie mij kent, weet dat ik daar in de toekomst in elk geval nog op terugkom.
De voorzitter: Minister Smet heeft het woord.
Minister Pascal Smet: Op mijn ‘Opvolgingsfiche parlementaire mondelinge vragen’ noteer ik in de rubriek ‘Initiatieven ter uitvoering engagementen minister’ het volgende: “Vragen
aan de overheden om de onderwijstoets in te voeren alvorens nieuwe wetgeving uit te vaardigen” en “Opvragen bij verzekeringsmaatschappijen ongevallengegevens op de school”.
Dat zal dus gebeuren. Ik kan wel niet zeggen wanneer ik u daarover kan informeren, dat zal in de loop van het volgende jaar zijn.
De voorzitter: De heer De Meyer heeft het woord.
De heer Jos De Meyer: Ik zou het erg waarderen als u ons tussentijdse informatie zou kunnen bezorgen. Ik bedank u alleszins voor uw engagement.
De voorzitter: Het incident is gesloten.


Jos De Meyer

Terug naar het overzicht
 
Home | Actueel | Fractieleden | Fractiewerking | Persberichten | Dossiers | Tussenkomsten | Contact