|
Jos De Meyer : Nieuwsbericht
18-06-2010
Land- en tuinbouwsector: betere vooruitzichten voor de toekomst
Ook de Vlaamse land- en tuinbouwsector ontsnapte niet aan de wereldwijde crisis. Zowel groente-, fruit- als siertelers, akkerbouwers, melkvee-, vleesvee- en varkenshouders werkten vele maanden onder de kostprijs en het ‘Herstelplan land- en tuinbouw’ werd gelanceerd. Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer ondervroeg minister-president Peeters over de uitvoering van dit herstelplan. Hij stelde dat vermoedelijk de crisis het grootste deel achter de rug is. Ook de investeringen via het VLIF trekken terug aan. Toch zal er in de toekomst werk van moeten worden gemaakt om binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid de nodige buffers aan te leggen.
* * *
Vraag om uitleg van de heer Jos De Meyer tot de heer Kris Peeters, minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid, over de crisis in de land- en tuinbouwsector en de vooruitzichten voor de toekomst
De voorzitter: De heer De Meyer heeft het woord.
De heer Jos De Meyer: Voorzitter, minister-president, collega’s, ook de Vlaamse land- en tuinbouwsector ontsnapte niet aan de wereldwijde crisis. Deze leidde tot een wereldwijde daling van de consumptie van voedingsproducten. In tegenstelling met andere sectoren is het in de land- en tuinbouw moeilijk om de productie zomaar tijdelijk te verminderen of stop te zetten zodat de land- en tuinbouwers al te vaak tegen verlies moesten verkopen. Zowel groente-, fruit- als siertelers, akkerbouwers, melkvee-, vleesvee- en varkenshouders werkten vele maanden onder de kostprijs. Dit vormde in deze commissie regelmatig de aanleiding tot vragen van collega’s.
Minister-president, u hebt toen, om de sector extra ademruimte te geven, het herstelplan landen tuinbouw gelanceerd. Belangrijkste pijlers van dit plan waren het versneld uitvoeren van betalingen van subsidies en premies en de bijkomende middelen in het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF). Ook werd waar nodig voorzien in aangepaste betalingsfaciliteiten.
Bij de voorstelling van de zesmaandelijkse conjunctuurbarometer mochten we van u goed nieuws vernemen: hoewel de conjunctuurindex nog steeds negatief is, wordt de stijgende trend van het najaar van 2009 in het voorjaar van 2010 gelukkig voortgezet. Dit wijst erop dat de sector aanvoelt dat de crisis in de land- en tuinbouw hopelijk over haar hoogtepunt heen is. Toch zijn er nog grote verschillen tussen de verschillende sectoren: in de akkerbouwsector daalt de index nog, in de varkenssector is er een lichte stijging, de vleessector is dan weer het meest positief want daar komt de index zelfs in de positieve cijfers terecht. De indexen van de sectoren van de groenten in openlucht en van de groente- en fruittelers onder glas verbeteren ook aanmerkelijk. Bij de fruittelers in openlucht daalt de index dan weer. Ook de leeftijd van de bedrijfsleiders geeft verschillen: de index voor de jongste bedrijfsleiders staat hoger dan die bij de oudste.
Alle landbouwers verwachten wel dat de aankoopprijzen in de toekomst verder zullen stijgen. Het laatste halfjaar was dit al het geval voor meststoffen, veevoeders, machines, gronden, quota en rechten. Minister-president, u stelde op de voorstelling van deze cijfers: “Het ergste is achter de rug, maar we zijn nog niet waar we moeten zijn.”
Minister-president, hoe evalueert u, nu we toch enkele maanden verder zijn, de uitvoering van uw herstelplan? In welke sectoren werd er het meest geïnvesteerd met de VLIFmiddelen? Waarin werd er specifiek geïnvesteerd? Hoe hebben de jonge land- en tuinbouwers de crisis doorgemaakt? Zijn er op dit moment nog overnames? Hoe evolueren die cijfers? Zijn of blijven aanvullende maatregelen, zeker voor de jongeren, al of niet noodzakelijk?
De voorzitter: De heer Callens heeft het woord.
De heer Karlos Callens: Minister-president, wat de heer De Meyer zegt, is juist maar ik wil er nog aan toevoegen dat wij twee weken geleden hebben moeten vernemen dat heel wat landbouwers hun bedrijf hebben stopgezet in 2009. Als ik mij niet vergis, waren het er 1900. Hebt u dat gezien? Wat zult u daaraan doen? Vindt u dat normaal? Wij zouden toch een onderzoekje moeten doen naar de oorzaken van dat grote aantal mensen dat zijn bedrijf heeft stopgezet. Wij moeten zoeken naar mogelijke oplossingen. De voorzitter: Minister-president Peeters heeft het woord.
Minister-president Kris Peeters: Voorzitter, collega’s, ik kan wat cijfermateriaal verzamelen. Dat kan dan worden overgemaakt. Mijnheer Callens, het door u genoemde cijfer moet worden geverifieerd. Het moet in een historische context worden geplaatst en op een wat langere termijn worden bekeken. We moeten het vergelijken met de dynamiek van andere landen. We moeten ook de evoluties bekijken in het aantal hoofd- en bijberoepen en in de schaalvergroting. Deze evoluties doen zich voor los van de crisis, en ook daarmee moeten wij rekening houden. Voorzitter, ik zal mijn administratie vragen daarover gegevens te verzamelen en die aan u over te maken. Dat kan desgevallend aanleiding geven tot een gedachtewisseling in deze commissie.
Vooraleer in te gaan op de vraag hoe ik de uitvoering van het herstelplan evalueer, moeten wij vaststellen dat wij in de crisis in de land- en tuinbouw, die wij grotendeels achter ons hebben liggen, naast de bestaande permanente maatregelen inzake inkomens- en investeringssteun ook aanvullende maatregelen hebben genomen. Het voor de crisis uitgetekende beleid is onverkort uitgevoerd. Er werd een bovenbouw opgezet. De crisis heeft niet overal in de land- en tuinbouw even hard toegeslagen. Hetzelfde geldt voor de reguliere economie waar de industrie zware klappen heeft gekregen. Er zijn verschillen naargelang van de sector. Afhankelijk van de bedrijfsstructuur, de mogelijkheden om de kostprijzen te beheersen en niet het minst de vakbekwaamheid van de bedrijfsleider, zijn er, ook in de sectoren die het zwaar te verduren hebben gekregen, grote verschillen tussen de bedrijven. Ik denk bovendien dat iedereen uit de reserves heeft moeten putten om de crisis te overbruggen.
Uit deze voorafgaande opmerkingen kan misschien al één conclusie worden getrokken, namelijk dat we er ook in de toekomst voor moeten zorgen dat er buffers worden aangelegd voor momenten waarop de prijzen zwakker kunnen zijn. Dat is heel belangrijk, omdat we meer dan in het verleden zullen moeten leren omgaan met volatiele markten, ook in een sector waar de prijzen voorheen via marktmaatregelen op EU-niveau gestabiliseerd werden. Dat is ook voor de tuin- en landbouwers een nieuw element: hoe kan ik buffers aanleggen, en hoe hoog moeten die buffers zijn om die periodes van zwakkere prijzen te overbruggen? Dat waren een aantal niet onbelangrijke voorafgaande opmerkingen. We moeten er nog verder over nadenken, zeker ook wat die buffers betreft, hoe we dat kunnen aanpakken, stimuleren et cetera.
Collega’s, ik zal u een kort overzicht geven van wat we gedaan hebben. Ik heb hier alle cijfers op papier, mijnheer De Meyer. Ik zal u dat overzicht zo dadelijk ook bezorgen.
De heer Jos De Meyer: Ik heb er geen enkel probleem mee als u dat samenvat en als dat document iedereen ter hand wordt gesteld.
Minister-president Kris Peeters: Ik heb hier een overzicht van de maatregelen op Vlaams niveau en op Europees niveau, van de uitbetaling en de toekenning van de VLIF-steun, met heel wat cijfermateriaal. Het is heel belangrijk dat u dat hebt. Globaal heeft het geheel van acties de land- en tuinbouwbedrijven die er nood aan hadden, ongetwijfeld geholpen om de crisis door te komen. Er moet wel op gerekend worden dat de producentenprijzen zich voort herstellen tot aanvaardbare niveaus. Het gaat nu beter wat de prijzen betreft, maar dat is nog altijd niet het niveau van voor de crisis. Ik hoop dat het herstel van de prijzen zich verder in die positieve richting ontwikkelt. U verwees zelf al naar de landbouwconjunctuurbarometer, die ook de goede richting uitgaat. Het is van essentieel belang dat de prijzen zich verder positief ontwikkelen, maar globaal denk ik dat we alles gedaan hebben wat we konden. Ik heb in het overzicht ook de discussie met Europa opgenomen, waar het ons gelukt is voor de zuivel maar niet voor de varkenssector. Ook op Europees niveau is het de vraag hoe men daar in de toekomst met zulke situaties moet omgaan.
U vroeg ook in welke sectoren er het meest werd geïnvesteerd met de VLIF-middelen. Voor het antwoord op die vraag wil ik vertrekken van de aanvragen om steun van de producenten in 2009. Globaal is er een terugval van het aantal aanvragen en het aangemelde investeringsvolume. In 2009 waren er 3380 aanvragen om steun voor 514 miljoen euro investeringen, vestigingskosten inbegrepen. In 2008 waren dat nog respectievelijk 3920 aanvragen en 638 miljoen euro. Ondanks de terugval blijft het investeringsvolume hoog, als we dat vergelijken met de eerste helft van het voorbije decennium, toen de aangemelde investeringen stabiliseerden rond 300 miljoen euro per jaar. De terugval van het investeringsvolume is minder groot in de landbouw, waar de aangemelde investeringen dalen van 409 miljoen euro in 2008 naar 355 miljoen euro in 2009, dan in de tuinbouw, waar er een evolutie is van 229 miljoen euro naar 159 miljoen euro.
Als we de cijfers wat grondiger analyseren en kijken naar de aard van de investeringen, blijkt dat het overgrote deel ervan nog altijd traditionele zaken betreft zoals de overname, de aankoop van de hoeve, de aankoop van machines, het bouwen en inrichten van melkvee- en varkensstallen, het bouwen van een loods of silo, het bouwen en inrichten van serres enzovoort. Machines en materieel in alle vormen blijven belangrijk met 79 miljoen euro investeringen, maar de terugval ten opzichte van 2008, toen nog 103 miljoen euro investeringen geregistreerd werden, is toch belangrijk. Het aantal aanvragen om steun voor de bouw van ammoniakemissiearme stallen is in 2009 tegen de algemeen dalende trend in gestegen tot 276, tegenover 247 in 2008, en een investeringsbedrag van 111 miljoen euro, tegenover 86 miljoen euro in 2008.
De gemiddelde investering bedraagt 403.000 euro, of 16 percent hoger dan in 2008. Dat heeft te maken met de schaalvergroting in de sector. Dossiers waar de investeringen oplopen tot boven 1 miljoen euro, zijn geen uitzonderingen meer. Zoals voorheen betreft het nog altijd in ruime mate varkensstallen (251) maar de verbeterde economische situatie in de pluimveesector vertaalt zich ook in een hogere investeringsbereidheid. Er waren 25 aanvragen om steun voor de bouw van pluimveestallen voor een geraamde investering van 16,7 miljoen euro. De zeer specifieke investeringen in de melkveehouderij – melkveestallen, jongveestallen voor melkvee, melkinstallaties enzovoort – liepen in 2009 terug tot 47 miljoen euro tegenover 78 miljoen euro het jaar voordien.
De diversificatie naar niet-landbouwactiviteiten is in hoofdzaak een kwestie van zonnecellen. Het aantal aanvragen steeg tot 363 en het investeringsvolume tot 37 miljoen euro. De onverwacht grote aantallen van 2008 – 307 aanvragen en 34 miljoen euro investeringen – werden nog overtroffen. De andere vormen van diversificatie – hoevetoerisme, hoeveproducten, thuisverkoop – stabiliseren op een laag niveau. In de tuinbouwsector wordt de terugval volledig verklaard door de investeringen in warmte-krachtkoppeling, warmtekrachtinstallaties en serres. Hier wordt het investeringsvolume gehalveerd van 102 miljoen euro in 2008 naar 51 miljoen euro in 2009.
Statistisch is het niet altijd mogelijk een onderscheid te maken tussen jonge land- en tuinbouwers en andere. Ik meen evenwel dat de verschillen niet opvallend zijn. Jonge landbouwers exploiteren meestal bedrijven met een grotere omvang, die bovendien beter gestructureerd zijn. Het valt op dat bij de aanvragen om steun voor overbruggingskredieten slechts één op vier aanvragers zich rangschikt als jonge landbouwer, wat dan nog staat voor “minder dan 15 jaar gevestigd”. Op basis van dit criterium zou eerder kunnen besloten worden dat de land- en tuinbouwers die al langer gevestigd waren, zelfs meer nood hadden of hebben. De technologische ontwikkelingen en de evoluties in de markten, inclusief de energiemarkt – de commercialisatie- en distributiestructuren, het EU-landbouwbeleid, eisen inzake leefmilieu en dierenwelzijn – gaan zo snel dat bedrijfsstructuren sneller dan voorheen aangepast moeten worden. Bedrijfsleiders die niet mee-evolueren en bijtijds maatregelen nemen, komen meer en meer in de problemen. In combinatie met de noden van het gezin, bijvoorbeeld oudere studerende kinderen, kan dit met zich meebrengen dat gevestigde landbouwers op wat verouderde bedrijven met hogere gezinslast er slechter voorstaan dan jongere.
In de VLIF-statistiek van 2009 valt het lage aantal aanvragen om vestigingssteun op. Waar er in de periode 2006-2008 gemiddeld 263 aanvragen waren en dit aantal overeenstemt met de verwachtingen, werden er in 2009 maar 176 aanvragen ingediend. Mogelijke verklaringen zijn uiteraard de crisis maar ook de verwachte verhoging van de vestigingssteun aansluitend op het gewijzigde beleid van de Europese Unie. Een fractie van de kandidaat-landbouwers heeft om die reden de vestiging voor beperkte tijd uitgesteld. Verwacht wordt dat die vestigingen alsnog in 2010 zullen plaatsvinden. Of er echt sprake is van een terugval in het aantal vestigingen zal moeten blijken tegen het einde van dit jaar. Momenteel zijn er, op basis van de gegevens die ik zojuist heb overlopen en die ik kan overmaken aan de heer De Meyer, geen extra maatregelen noodzakelijk gericht op jonge landbouwers.
De voorzitter: De heer De Meyer heeft het woord.
De heer Jos De Meyer: Minister-president, ik dank u voor uw uitvoerige antwoord. Ik suggereer dat de commissiesecretaris zo dadelijk het document ter beschikking stelt van alle commissieleden. Minister-president, een van uw inleidende zinnen vond ik bijzonder belangrijk. U geeft daarin de herbevestiging dat de crisis vermoedelijk grotendeels voorbij is. Dat is essentieel. Ook essentieel is dat u zegt dat wij ervoor moeten zorgen dat wij in deze volatiele markten buffers leren opbouwen. Voorzitter, deze uitdaging zal straks, in het gesprek dat we zullen hebben over het gemeenschappelijke landbouwbeleid, een van de essentiële punten zijn. Voor wat betreft de VLIF-steun is het verrassend dat er, niettegenstaande de moeilijkere economische kwaliteit, toch nog zoveel is geïnvesteerd, ook in milieu. Minister-president, het beleid moet zich uitermate sterk interesseren voor de jongeren. Wij moeten dit zeer intens volgen. Ik ben het met u eens dat het vandaag te vroeg is om hieraan conclusies vast te knopen. Wij moeten het aantal overnames met VLIF-steun dit jaar in vergelijking met de vorige jaren aandachtig opvolgen. Indien de trend, zoals hij blijkt uit de daarnet door u genoemde cijfers, zich zou doorzetten, is dit toch zorgwekkend.
De heer Stefaan Sintobin: Minister-president, u hebt gesproken over de Europese steun aan de melksector. Ik herinner mij dat ik in februari van dit jaar daarover een vraag heb gesteld. Ik heb de afgelopen weken door de omstandigheden de actualiteit wat minder gevolgd. U had gezegd dat de limietdatum voor de uitkering van de Europese steun op 30 juni van dit jaar was vastgelegd. Wordt die steun volledig uitgekeerd?
Minister-president Kris Peeters: Voorzitter, ik apprecieer de reactie van de heer De Meyer. We zullen daar later nog op terugkomen, met nog meer cijfermateriaal over de jonge landbouwers. Voorzitter, het antwoord op uw vraag staat ook in de tekst, maar ik ben er niet dieper op ingegaan. Begin april heeft de landbouwadministratie de 4,31 miljoen euro die aan Vlaanderen toekwam, betaald aan de Vlaamse melkveehouders.
De voorzitter: De heer Callens heeft het woord.
De heer Karlos Callens: Ik dank de minister-president voor het antwoord, maar wil daar nog iets aan toevoegen in verband met de bedrijven die stoppen. Een van de redenen zou ook kunnen zijn dat de inspanningen die zij moeten doen op verschillende vlakken, er te veel aan waren en dat ze daardoor gestopt zijn met hun bedrijvigheid. Ik hoor u ook zeggen dat een aantal subsidies naar de warmte-krachtkoppelingsinstallaties voor serres en zo gaan.
Moeten wij de landbouwers ook niet meer van de cel Leefmilieu ondersteunen? Zij moeten immers net vanuit die kant zware inspanningen doen. Ik denk bijvoorbeeld aan energie. Goed, er komen middelen vanuit Landbouw, maar eigenlijk zouden die middelen vanuit Leefmilieu kunnen komen, dan kunnen we die andere middelen voor iets anders gebruiken. Een tweede punt betreft alles wat te maken heeft met het verbod op pesticiden, het gebruik van water, het vernieuwen van installaties om water te kunnen ontvangen voor het besproeien van groenten en dergelijke meer. Dat komt allemaal van Leefmilieu. We moeten dat eens ernstig overdenken, om vanuit Leefmilieu een subsidie voor de landbouw te krijgen voor die inspanningen, zodat we onze centen dan kunnen gebruiken voor effectieve landbouwproductie.
Minister-president Kris Peeters: Zeker wat alternatieve energie, warmte-krachtcentrales enzovoort betreft, zijn wij volop bezig om dat te bekijken. Ik neem uw opmerkingen dus zeker mee, mijnheer Callens. We zullen daar stap voor stap de nodige discussies over voeren en de nodige beslissingen in nemen.
De voorzitter: Het incident is gesloten.
Jos De Meyer
Terug naar het overzicht
|
|